‘In het land der blonde duinen / En niet heel ver van de zee, / Woonde eens een dwergenpaartje / En dat heette ‘Piggelmee.’
’t Waren heel, heel kleine menschjes / En ze woonden – vreeslijk lot, / Want ze hadden heel geen huisje – / In een ouden, keulschen pot.’
Zo begon het fameuze Piggelmee-album dat de Van Nelle-fabriek in 1920 uitbracht. Het was naar ‘een oud sprookje’ kunstig bij elkaar gerijmd door employee L.C. Steenhuizen die liever het pseudoniem Leopold gebruikte. Het plaatjesboek werd geïllustreerd met losse plaatjes die je vanzelf bij elkaar spaarde als je veel Van Nelle-koffie dronk.
En dat deed je graag, want Van Nelle-koffie was erg lekker, daarover ging juist dat Piggelmee-verhaal. Mannetje Piggelmee had een tovervis gevangen die al je wensen kon vervullen en vrouwtje Piggelmee had wensen te over: ze wou een echt huis, meubilair, mooie kleren, een werkster en veel geld en ze kreeg het allemaal. Maar toen ze koffie wilde die lekkerder was dan die van Van Nelle, toen ging ze te ver. Toen brak de betovering en zaten de Piggelmeetjes opeens weer onder de Keulse pot. Goddank mét Van Nelle-koffie.
Stukje merchandising, zeg maar, een beetje platter dan Verkade deed met zijn mooie albums en gerenommeerde auteurs, maar nauwelijks minder effectief. Kinderen hebben zich te pletter gespaard en geplakt.
Maar wat voor sprookje was dat, dat Steenhuizen zo had geïnspireerd? Dat zei Van Nelle er niet bij, ook niet toen ze het verhaal na de oorlog opnieuw uitbracht, met plaatjes die wat aardiger waren dan die van de Duitse kunstenaar die in 1920 zo precies liet zien hoe ventje Piggelmee haasjes en konijnen doodschoot.
Er kan zomaar een halve eeuw voorbijgaan voor je ontdekt dat ‘Piggelmee’ sterk lijkt op het Grimm-sprookje dat ‘Over de visser en zijn vrouw’ is genoemd. Ook daar figureert een vis die de wensen vervult van een hebzuchtige vrouw, tot ze te ver gaat. Dat moet het geweest zijn. Tegelijk is het motief van het verhaal zo simpel en herkenbaar (ATU 555 volgens de internationale classificatie: hebzucht wordt bestraft) dat het sprookje ongetwijfeld al vele eeuwen door Europa circuleerde. De Duitse sprookjeskenner Johannes Bolte kon in 1913 een oneindig aantal varianten opsommen. In Vlaanderen viste Piggelmee onder namen als Timpelteen, Tintelteen, Tintelentee, Ticktocktee en Tietentater. Dundeldee wordt ook genoemd.
Haveloze vondelingen
Toen de jonge juristen Jacob en Wilhelm Grimm rond 1808 sprookjes gingen verzamelen, op verzoek van vrienden die oude volksliederen hadden uitgegeven, kregen ze het verhaal van de wensvis van vele kanten toegespeeld. Ook anderen die sprookjes verzamelden, want dat was in de mode, kwamen de vis tegen. De eerste die er, volgens Google Books, over publiceerde was Albert Grimm (geen familie) die in 1808 een zeldzaam slappe variant bedacht.
Jacob en Wilhelm vonden de versie van de vooraanstaande schilder Philipp Otto Runge het mooist, misschien wel vooral omdat deze het in Voorpommers dialect aanleverde. Het leek rechtstreeks uit het Duitse volk te komen. Vast staat dat Runge het verhaaltje dat hij in Hamburg had opgetekend flink heeft gecoiffeerd. ‘Zo ging het helemaal niet’, zeiden de zeelieden die het later te horen kregen. Dat is de ramp die de meeste sprookjes trof: dat de lui uit de middenklasse die ze rond 1800 gingen verzamelen ze ook mooier gingen maken. En minder vies. Wilhelm Grimm beschouwde sprookjes als haveloze vondelingen die je eerst waste en in nieuwe kleren stak voor je ze de huiskamer binnen liet. Alle verwijzingen naar seksualiteit en lichaamsfuncties werden eruit gevist.

Zoom in

Zoom in
20ste-eeuwse afbeeldingen van tovervisjes.
Beeld Getty Images
Hoe boertig de oude sprookjes waren beschrijft het schitterende boekje Trilbil en Duivelsdrek van Meder, Van Ekert en De Vries (2022). Het is een verzameling rauwe Groningse sprookjes zoals die in 1804 door de elfjarige Gerrit Arends in een kasboekje werden opgetekend toen hij ze door naaister Trijntje Soldaats had horen vertellen. En dan heeft Trijntje zich waarschijnlijk nog ingehouden.
Bij Runge heet de visser Timpe Te en zijn vrouwtje Ilsebill en alleen uit het gegeven dat ze in een pispot leven maak je op dat het dwergen zijn. De vis die Timpe Te vangt is een bot (bij anderen een snoek). Ik ben een betoverde prins, zegt de bot, dus laat me gaan, ik smaak niet lekker. Een vis die praten kan had ik sowieso niet opgegeten, zegt Timpe Te en zet hem terug. Je had eerst wat moet wensen, zegt later Ilsebill en dan begint de serie wensen die het stel uiteindelijk weer terugbrengt in de pispot.
Sprookjesachtig mooi is de vele malen herhaalde ontmoetingsdialoog tussen visser en vis:
Man, man, Timpe Te,
Buttje, Buttje in de zee,
Mijn Vrouwe Ilsebill
Ik wil het niet zoals ik het wil
Beetje onbegrijpelijk ook wel, want wie zegt nu eigenlijk wát op welk moment? Sprookjeskenners discussieerden daarover in augustus 2020 in een hoekje van Wikipedia.
Het kán logisch zijn als de twee elkaar op het water passeren, vinden ze. Maar misschien moeten de eerste regels verwisseld worden.
En waarop slaat dat vreemde ‘Timpe Te’? Dat is een misverstand, denken de kenners. Het had Timpetje moeten zijn. De verkleinvorm -tje is in het Voorpommers algemeen maar klonk de deftige Runge vreemd in de oren. Hij kende het dialect minder goed dan hij dacht. En een Timpetje is iets puntigs, misschien sloeg het op de muts van de visser, maar aannemelijker is dat er de kabouterpenis mee werd bedoeld, de micropenis. Kereltje, piemelaartje, wat wil je nou weer, riep de bot gemoedelijk.
Graag wensen wij de lezer voor het komend jaar een gezond wensvisje toe.
Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Wetenschap
Op de hoogte van kleine ontdekkingen, wilde theorieën, onverwachte inzichten en alles daar tussenin
Inschrijven
Uitschrijven
De journalistieke principes van NRC